Alpenhutten

Basis van het bergtoerisme

Tekst: Emely Nobis

Aanvankelijk dienden ze vooral als schuilplaats bij slecht weer en basaal onderkomen tijdens meerdaagse klimtochten. Tegenwoordig vervullen ze een sleutelfunctie in het bergtoerisme. Over verleden en toekomst van traditionele berghutten in de Alpen.

Dresdner Hütte bij de Stubaier Gletscher © FREN Media, Frits Roest

Huttentochten in de bergen zijn (weer) populair. Niet alleen omdat je door op hoogte te blijven een veel groter gebied kunt verkennen dan als je aan het einde van de dag moet afdalen naar je accommodatie. Er hangt ook een zweem van romantiek omheen: een combinatie van back to basic, rust én gezelligheid. Het bier op het panoramaterras met weidse blik, de gesprekken met andere bergfanaten, het traditionele Bergsteiger-maaltijden, de Hüttenruhe als om 10 uur ’s avonds het licht wordt uitgedraaid, de heldere sterrenhemel…

Het alpinisme zoals wij dat kennen ontstond ten tijde van de romantiek aan het einde van de 18e eeuw. Werden bergen tot die tijd vooral als gevaarlijk gezien, nu ging wetenschappelijk interesse in het natuurfenomeen hand in hand met de drang deze avontuurlijke wereld te bedwingen. Het ‘startschot’ vormde de geslaagde eerste beklimming van de Mont Blanc in 1786. Die prestatie inspireerde tal van andere pioniers van het alpinisme, onder wie de in Wenen geboren Franz II. Xaver von Salm-Reifferscheid: vorstbisschop en kardinaal van Gurk (Karinthië). Hij besloot ook de beklimming van de Großglockner mogelijk te maken. Ter voorbereiding initieerde en financierde hij in 1799 de bouw van een schuilhut aan de zuidoostkant van de berg op 2.644 meter hoogte (de Salmhütte). Een jaar later, op 28 juli 1800, bereikte een expeditie van vijf bergbeklimmers vanaf dit steunpunt inderdaad de top van Oostenrijks hoogste berg.

Van tussenstation tot einddoel

Salmhütte

Salmhütte © BWAG, Wikimedia Commons

De Salmhütte (inmiddels toe aan een vierde versie) is de oudste nog bestaande schuilhut die enkel en alleen werd gebouwd om bergbeklimmers tijdens hun moeizame en gevaarlijke tocht naar de top een onderkomen te bieden. In de beginjaren waren zulke bergtochten nog vooral wetenschappelijke expedities. Bergbeklimmen als sport neemt halverwege de 19e eeuw een vlucht. Er worden Alpenclubs opgericht, zoals de Oostenrijkse Alpenverein (1862, ÖAV), de Zwitserse Alpen Club (1863, SAC) en de Duitse Alpenverein (1869, DAV). Zij bouwen voor hun leden (vooral afkomstig uit de hogere middenklasse) eenvoudige schuilhutten met veel hout, een keramische oven, een tafel met bank en enkele matrassen. In 1876 staan er twintig hutten, vooral in de oostelijke Alpen; in 1885 zijn het er al 59.

Binnen enkele decennia leggen de Alpenverenigingen ook een uitvoerig wegennet aan. Die infrastructuur is een voorwaarde voor het alpine toerisme, maar stimuleert het ook sterk. Al gauw worden berghutten behalve tussenstation ook einddoel van tochten. Het bezoekersaantal stijgt enorm, met naast bergwandelaars en -beklimmers ook steeds vaker dagjesmensen.

Wildseeloderhaus

Wildseeloderhaus aan de Waldsee © FREN Media, Frits Roest

De roep om meer comfort en privacy leidt ertoe dat een deel van de hutten wordt vergroot, onder meer met een- of tweepersoonskamers (voor de gegoede burgers) naast de Matratzenlager met strozakken voor hun gidsen. Ook worden er pachters gezocht om de gasten te verzorgen, vaak aangevuld met vrijwilligers van de Sektion (afdeling) die de hut beheert. Sommige hutten groeien uit tot heuse berghotels met donsbedden in plaats van wollen dekens, culinaire hoogstandjes en een uitstekende wijnkaart. Dat zorgt ook van meet af aan voor de nodige discussie. Puristen verwijten de Alpenverenigingen op massa in te zetten en verlangen terug naar de rust en eenvoud van weleer. Feit is echter dat die verenigingen zich bij de oprichting ten doel hadden gesteld de ‘liefde voor de Alpen te bevorderen, het reizen in de Alpen te vergemakkelijken’ (ÖAV) en de ‘bergwereld voor mensen uit de stad ervaarbaar te maken’ (DAV). Dat die daarvoor eerst een flinke inspanning moesten leveren, was nooit voorwaarde.

Van schuilhut tot monument

Van de nu nog ruim 1300 ‘clubhutten’ in de Alpen staan er 500 in Oostenrijk. Het merendeel daarvan is eigendom van de Oostenrijkse ÖAV (230) en de Duitse DAV (182). De twee Duitstalige verenigingen waren al in 1873 gefuseerd en vormden tot 1945 een en dezelfde organisatie. Vandaar de vele ‘Duitse’ hutten in Oostenrijk, vaak genoemd naar de betreffende DAV-sectie: Freiburger Hütte, Lindauer Hütte, Mannheimer Hütte et cetera.

Een deel van de hutten is nog steeds alleen te voet bereikbaar en heeft het oorspronkelijke Spartaanse karakter (geen warm water, geen wifi) bewaard. Sommigen hebben bovendien geen pachter en zijn dus alleen geschikt voor Selbstversorger met eigen proviand. Andere hutten liggen inmiddels naast het midden- of bergstation van de kabelbaan of aan een geasfalteerde weg met parkeerplaats. Die laatste categorie biedt vaak niet eens meer de mogelijkheid tot overnachten aan. De behoefte is er niet. Niets zo frustrerend immers om als wandelaar na een inspannende dag op een bomvol terras van een berghut terecht te komen tussen dagjesmensen die de weg omhoog gemakzuchtig per auto of lift hebben afgelegd.

Rauhekopfhütte

Rauhekopfhütte © Wikimedia Commons / Christoph Praxmarer

Nu de bergen al lang geen geheimtip meer zijn en er voor elke categorie bergbeklimmer of -wandelaar een eigen categorie hut is, kampen de Alpenverenigingen met nieuwe dilemma’s. Zo worden de meeste hutten langdurig verpacht aan een Hüttenwirt, maar is het zelfs voor de mooiste en beste locaties toenemend lastig een geschikte pachter te vinden en vooral vast te houden. Veel geïnteresseerden beginnen eraan met een te romantisch beeld van leven en werken in de bergen. Ze geven er vaak na een seizoen al de brui aan, meestal door een combinatie van lange werkdagen, gebrek aan privacy, het niet kunnen vinden van personeel en (bij slecht weer) tegenvallende aantallen overnachtingen. Beheerder Stefan Ernst van de Rauhekopfhütte in het Kaunertal heeft dit probleem creatief opgelost door elke twee weken een nieuwe vrijwilliger als Hüttenwirt aan te stellen. Het mes snijdt aan twee kanten: de hut blijft draaien en romantici kunnen zo hun voorstelling van het werk toetsen aan de praktijk.

Afbreken of renoveren

Berliner Hütte

Berliner Hütte, Zillertal © Tirol Werbung

Een ander dilemma nu er vrijwel geen nieuwe hutten meer (mogen) worden gebouwd: Gaan we renoveren of afbreken en herbouwen? Duurzaamheid speelt een belangrijke rol in die afweging. De afgelopen jaren is er op dat vlak flink geïnvesteerd. Ruim zestig Oostenrijkse hutten hebben inmiddels het Umweltgütesiegel van de Alpenverenigingen, dat onder meer iets zegt over duurzame afvalverwerking en energieverbruik.

Wat dat betreft was de Berliner Hütte in het Zillertal (2.042 meter) haar tijd ver vooruit, want hier werd honderd jaar geleden al elektriciteit opgewekt met een eigen waterkrachtcentrale. De in 1879 geopende hut bood sowieso alles wat het stadse bergbeklimmershart begeerde: Witte tafellakens in de fraai ingerichte eetkamer, een postkantoor, schoenmakerij, donkere kamer, damessalon, telefooncentrale en (vanaf 1912) elektrisch licht. Precies het soort monumentaal berghotel waar nostalgisch gestemde bergbeklimmers hun neus voor ophalen. Het interieur is niettemin zo pronkvol dat de Berliner Hütte in 1997 als eerste (en tot 2013 enige) Schutzhütte de status van beschermd monument kreeg.

Seethalerhütte

Seethalerhütte onder de sneeuw @ Wikimedia commons, Vorwerk

Veel hutten zijn helaas zo bouwvallig dat renovatie en verduurzaming geen optie is. Dan kiezen Alpenverenigingen noodgedwongen voor afbraak en nieuwbouw. Zo ontstonden duurzame hutten voor architectuurliefhebbers, zoals het Schiestlhaus op de bergketen Hochschwab in Stiermarken (geopend in 1884, nieuwbouw 2005) en het Gipfelhaus Dobratsch in Karinthië (geopend in 1810, nieuwbouw 2010). Beide hutten zijn beide energieneutrale passiefhuizen. Bij de door de Duitse architect Albin Glaser ontworpen nieuwe Stüdlhütte (geopend in 1869, nieuwbouw in 1996) liggen zonnecollectoren als een soort eierschaal rondom het pand. De historische Seethalerhütte in Opper-Oostenrijk (1929) tenslotte werd ’s winters regelmatig begraven onder sneeuw en ijs. Bij de nieuwbouw uit 2019 werden alle ingangen uit de wind gebouwd, zodat de hut nu ook in het winterseizoen open is. Het duurzame, futuristisch ogende gebouw van dreiplus Architekten (Innsbruck) te midden van de Dachstein Gletsjer op 2.740 meter hoogte staat overigens niet helemaal op de oude standplaats: die was door de opwarming van de aarde en de teruggang van de permafrost te gevaarlijk geworden.

Stüdlhütte

Stüdlhütte © Tirol Werbung

Bron: Hoch Hinaus! Wege und Hütten in den Alpen

In deze dikke pil (bijna 700 pagina’s) geven de Alpenverenigingen van Duitsland, Oostenrijk en Zuid-Tirol een overzicht van het ontstaan en de geschiedenis van hutten en wegen in het oostelijke Alpengebied (deel 1) en beschrijven ze de 1800 bouwwerken die ooit door hen als onderkomen zijn gebruikt (deel 2). Böhlau Verlag, € 49,90

Oostenrijkse Alpenvereniging

AlpenvereinslogoDe Österreichischer Alpenverein (ÖAV) werd op 19 november 1862 opgericht met als doel het bevorderen van kennis over en liefde voor de Alpen en het vergemakkelijken van het reizen in de Alpen. Na de Britse Alpine Club is het de oudste bergbeklimmersvereniging ter wereld. De ÖAV is onderverdeeld in 196 afdelingen met in totaal ruim 300.000 leden. Behalve lokale afdelingen zijn het ook academische secties (ontstaan uit studentenverenigingen in Wenen, Graz en Innsbruck) en vroeger zelfstandige verenigingen. Zo trad de in 1890 opgerichte Östereichische Gebirgsverein pas in 1955 toe. De ÖAV heeft zelfs een Britse (Britannia) en Vlaamse (Flandern) afdeling.

De 230 Schutzhütten (13.000 slaapplekken) van de ÖAV in Oostenrijk trekken jaarlijks ongeveer een miljoen bezoekers en bieden ’s zomers werk aan ruim 1500 mensen. Daarnaast maakt de ÖAV gedetailleerde kaarten van de Alpen en beheert ze 26.000 kilometer gemarkeerde berg- en wandelpaden, klimpaden en klimparken. De ÖAV is aangesloten bij de overkoepelende internationale bergsportfederatie (UIAA), waar ook de Nederlandse bergsportvereniging NKBV bij is aangesloten. Als NKBV-lid ondersteun je indirect (via een storting van de NKBV in het zogeheten Gegenrecht fonds) het onderhoud aan paden, routes en hutten in de Alpen. In ruil daarvoor krijg je onder andere, net als de leden van de ÖAV, korting bij overnachting in een Alpenverenigingshut.

Huttenvinder ÖAV: alpenvereinshuetten.at

Münchner Haus

Münchner Haus op de Zugspitze © FREN Media, Frits Roest




Franzenburg
Sigmunds, Wikimedia Commons
© Hans Schmid Privatstiftung
© Susanna von Canon RV
Tirol Werbung
Paneum © Markus Pillhofer
© Tirol Werbung
Berliner HütteTirol Werbung
© Visit Klagenfurt
Wolfgang Ambros © Harald Graf
© Torsten Stapel
© Stephan Doleschal
© Wikipedia Commons
© Sebastian Toth
Bregenzerfestspiele andereart pigrafik
© Mozarteum Salzburg
© Oostenrijk Magazine
© Oostenrijk Magazine
Leopold Museum Leopold Museum, Wien / Ouriel Morgensztern
© Christian Stemper 2012
© Oostenrijk Magazine
© Oostenrijk Magazine
Tirol Werbung
© Konstantin Reyer
© österreich Werbung / trumler
Oostenrijk Magazine
FREN Media, Frits Roest
© BMovB / foto tina haller
© GÜNTER STANDL
© @AnDreABEI
© MARIA FRODL
Neuwirth Extremschrammeln
Herbert Pixner Project
Wiener Tschuschenkapelle
Musicbanda Franui
© Oostenrijk Magazine
SOS Kinderdorpen
© Kossmann
© Bryan Reinhart