Silvester

Tekst: Frits Roest

In de vitrinekast op mijn slaapkamer staan een tiental glazen varkentjes, allemaal gekregen toen ik met Oostenrijkse vrienden oud & nieuw vierde. Oostenrijkers beginnen het nieuwe jaar namelijk met een charmante dosis bijgeloof en daar hoort bij dat je elkaar ‘Glücksbringer’ cadeau doet. Dat kan een varkentje zijn (Schwein betekent immers ’varken’ én ‘geluk’), maar ook een klavertje vier, een hoefijzer of een schoorsteenveger (schone schoorsteen = geen brand = geluk). Je koopt de geluksbrengers op een kerstmarkt of bij een kraampje op straat en ze kosten hooguit een paar euro. Enige regel: ze moeten in je broekzak passen. Het gaat om de geste, niet om de grootte. Ik heb heel wat jaarwisselingen in Oostenrijk doorgebracht en veel varkentjes gegeven en gekregen, maar die van chocolade of marsepein heb ik opgegeten. Zo blijft mijn verzameling beperkt.

Charmant bijgeloof

Ik vier Silvester graag in Oostenrijk omdat sommige van mijn beste vrienden er wonen, maar ook vanwege de tradities. Dat je elkaar op 31 december net voor middernacht Guten Rutsch wenst, opdat de jaarwisseling
goed zal verlopen. Dat je om middernacht met het hele land via de radio wacht tot de grote klok van de Stephansdom in Wenen twaalf uur slaat, een van de weinige keren per jaar dat deze Pummerin überhaupt luidt. Dat je daarna de Sekt ontkurkt en elkaar ‘Prosit Neujahr’ wenst. Dat na de laatste slagen van de Pummerin de Donauwalser (An der schönen blauen Donau) door de radio klinkt en je daar met elkaar op walst. Vervolgens geef je elkaar je geluksbrengers én voorspel je elkaar de toekomst met behulp van Bleigießen (lood gieten). Voor dat doel kun je setjes kopen met loden bedeltjes en een lepeltje. De bedeltjes leg je in de lepel die je boven een kaarsvlam houdt. Het gesmolten lood gooi je in een bakje koud water. De gekke patronen die ontstaan, onthullen wat het nieuwe jaar zal brengen. Alleen al aan dit bijgeloof geven Oostenrijks zo’n drie miljoen euro per jaar uit.

Nieuwjaarsconcert

Als je de volgende ochtend met een kater aan het late ontbijt zit luister je – uiteraard – naar het Neujahrskonzert van de Wiener Philharmoniker. Als tegenwicht tegen al dat marsen en walsen ga ik, als ik in Wenen ben, later op de dag naar het ‘alternatieve’ Nieuwjaarsconcert in het Volkstheater. Sinds eind jaren negentig speelt de Tschuschenkapelle daar elke eerste dag van het jaar wereldmuziek uit vooral Oost-Europa en de Balkan. ‘Tschusch’ (dialect) is een scheldwoord voor mensen van Slavische of Zuid-Europese komaf. Alle bandleden komen uit die regio’s en gebruiken het woord dus als geuzennaam. In mijn vriendenkring inventariseren we altijd al vroeg wie er de volgende keer bij zal zijn, want ook dit alternatieve Nieuwjaarsconcert is een ritueel geworden en als je bij elkaar wilt zitten, moet je tijdig
kaartjes kopen. ‘Mir san net nur mir’, zoals het heet, begint om zes uur ’s avonds en kan tot acht of zelfs negen uur duren. Daarna hebben we honger en gaan we eten. Dan is het jaar voor mij pas echt begonnen.