‘Réverence en knik en stap terug’, klinkt het in talrijke dansscholen voor en tijdens het Oostenrijkse balseizoen. Want als je naar een van de honderden bals wilt gaan, moet je de quadrille en polonaise beheersen en vooral kunnen walsen, bij voorkeur linksom. De Linkswalzer is niet gemakkelijk: het is nog altijd de snelste dans die er is. Bij het linksom walsen moet je je benen links voorkruisen, om elkaar heen draaien en daarbij de vaart er goed in houden. En dan is er nog de Fleckerlwalzer, waarbij het paar tijdens het walsen op precies dezelfde plaats om zijn as blijft ronddraaien. Oorspronkelijk deed men dit op een ronde tafel met een doorsnee van één meter!

De wals bracht zinnelijkheid in de omgang tussen man en vrouw

Uit het succes van onze eigen Nederlandse walskoning André Rieu blijkt dat de wals en de erbij horende muziek bijzonder populair zijn. Toch waren er aanvankelijk ernstige bezwaren tegen deze dansvorm, die in de 18e eeuw ontstond. Toen was dansen een tamelijk streng gereguleerde aangelegenheid waarbij alle paren rekening met elkaar moesten houden. De quadrille bijvoorbeeld, gedanst in groepjes van vier of een  veelvoud daarvan, bestond uit waardige afgemeten bewegingen. Zo keurig ging het er ook aan toe bij de menuet, een toen erg geliefde Franse dans. Vanaf 1780 werden de Weense salons veroverd door de Walzer (walzen = draaien), die zich had ontwikkeld uit de Duitse Ländler, een populaire volksdans. Jong en oud, rijk en arm, edelman, burger en arbeider – iedereen zwierde in de rondte. Het aantrekkelijke was dat je niet meer in groepen van vier, acht of zestien verplichte passen uitvoerde en een bepaalde route door de zaal volgde, maar gewoon per paar danste waar je maar wilde. Het gevolg was een uitbundig  durcheinanderwirbeln van de feestgangers. Een tweede nieuwigheid was dat de danspartners elkaar goed moesten vasthouden, zich al rondzwierend zelfs stevig aan elkaar moesten vastklemmen. Juist daarom hadden de autoriteiten er grote moeite mee. De wijze waarop man en vrouw elkaar vasthielden vonden zij veel te intiem en zedeloos: de wals bracht openlijk zinnelijkheid in de omgang tussen de seksen. Dit werd duidelijk tijdens het Congres van Wenen (1813-1815). Het internationale congres over de staatskundige herordening van Europa kenmerkte zich door de vele feesten en partijen. Een van de deelnemers, graaf Auguste de la Garde, beschreef de ‘macht’ van de wals: ‘Zodra de eerste maten klinken, stralen de gezichten, schitteren de ogen en gaat er een rilling door de zaal. Zie hoe de vrouwen, meegesleept door de onweerstaanbare muziek en gevlijd in de armen van hun partner uiteindelijk een “extatische Wonne” bereiken en dan, door vermoeidheid gedwongen, de hemelse sferen moeten verlaten.’

Ik kan zijn verhaal uit eigen ervaring bevestigen. Eind vorig jaar zou ik als historica meewerken aan een uitzending van de Oostenrijkse omroep ORF over de wals. Ik moest natuurlijk ook linksom walsen – ik durfde dat wel aan, want ik zou met de directeur van een Weense dansschool mijn rondjes moeten draaien. Ter plekke wilde een mij onbekende Wener per se met mij de vloer op. Waarom niet, dacht ik, en hup: daar gingen wij. Hij bleek de beste danseur die ik ooit heb meegemaakt! De la Garde heeft volkomen gelijk met zijn ‘extatische Wonne’, want ik belandde in een ongekende, zalige roes. Met een paar ecstasy-pillen bereik je dit geluksgevoel vast nooit.

Reinildis van Ditzhuyzen