Bösendorfer

Tekst: Emely Nobis/fotografie: Bösendorfer

Wanneer begon het bedrijf?

In 1828 nam Ignaz Bösendorfer de werkplaats over van zijn (kinderloze) leraar Joseph Brodman en begon zijn eigen instrumenten te bouwen, als één van circa honderdvijftig pianobouwers in Wenen. Het was de tijd waarin de jonge pianovirtuoos Frans Liszt met zijn vurige, harde aanslag vrijwel ieder Hammerklavier vernielde. Toen hij op aanraden van vrienden een Bösendorfer-vleugel probeerde, bleek die wel tegen een stootje bestand. De ‘Bösendorfer’ maakte op slag naam als concertvleugel en in 1839 verleende de Oostenrijkse keizer Ignaz als eerste pianobouwer de titel K.K. (keizerlijke en koninklijke) Hof  Fortepiano­ und Klaviermacher. Na zijn dood in 1859 zette zoon Ludwig Bösendorfer het bedrijf voort. Hij bleek een marketinggenie. Zo zorgde hij ervoor dat op alle plaatsen waar Liszt langere of kortere tijd verbleef een Bösendorf-vleugel stond, die de componist gratis mocht gebruiken. Ook liet hij in Wenen een concertzaal bouwen waar alle grote musici uit zijn tijd optraden. Na het overlijden van de kinderloze Ludwig wisselde de firma geregeld van eigenaar. Tegenwoordig is Bösendorf een zelfstandig onderdeel van het Japanse Yamaha, met een eigen bedrijfsleiding en een gegarandeerde productie in Oostenrijk.

Wat typeert een Bösendorfer?

Ignaz Bösendorfer zag de piano als een snaarinstrument, vergelijkbaar met een viool of cello. Daarom wilde hij dat de hele klankkast bij het spelen zou resoneren. Waar andere piano’s en vleugels alleen een klankbodem hebben, heeft een Bösendorfer ook een klankkast. Het belangrijkste verschil? Een gemiddelde pianokast is gemaakt van dunne plakken op elkaar gelijmd hout; een kast van Bösendorfer bestaat uit een massief stuk hout dat als een ‘verlengde arm’ van de klankbodem het geluid versterkt. Om zo’n relatief dikke plank in de ronde vleugelvorm te buigen, worden er over de hele breedte verticale inkepingen in het hout gemaakt, die na het bevestigen van de kast weer met houtsplinters en lijm worden opgevuld. Mede daardoor ontstaat de typische Bösendorfer-klank: zangerig, een grote klankrijkheid, dicht bij de menselijke stem en daarom een geliefde ‘liedbegeleider’.

Waar worden ze gemaakt?

In 1972 verhuisde Bösendorfer van het centrum van Wenen naar een oude timmerfabriek in het nabijgelegen Wiener Neustadt. Het pand heeft een bezoekerscentrum waar handelaren en klanten op zoek kunnen naar hun favoriete model. Achter deze moderne zaal gaat een ouderwets ambachtelijk bedrijf schuil waar het naar hout, lijm en verf ruikt en waar het geluid van getimmer, geschuur en gezaag zich vermengt met pianogepingel als medewerkers toetsen, hamers of snaarspanningen testen. Buiten liggen dikke planken sparrenhout uit de Alpen opgestapeld onder eenvoudige afdakjes in de openlucht. Woordvoerder Marion Alexander vertelt dat het hout eerst vijf à zes jaar buiten ligt te drogen voordat het verder wordt verwerkt. ‘Vrijwel al onze concurrenten versnellen het droogproces. Wij doen dat niet, want hout wordt stabieler als het natuurlijk droogt.’

Waarom is een vleugel zo duur?

Ambacht, ambacht en nog eens ambacht: daar komt het op neer. Een Bösendorfer kost tussen de € 62.000 en € 150.000 en meer als een klant heel specifieke wensen heeft. Maar dan heb je ook een instrument dat generaties lang mee kan. Natuurlijk worden sommige onderdelen tegenwoordig machinaal gemaakt en ingekocht (zoals de hamers, toetsen, pedalen en vilten), maar alles wat klankbepalend is, blijft mensenwerk. Tijdens een rondleiding door de fabriek zien we mannen en vrouwen hoekjes in klankbodems zagen, frames polijsten en verven, kasten buigen, bassnaren met koper omwikkelen, hamers intoneren, stempennen vastzetten en veel meer. Pas na circa tien maanden is een instrument gebruiksklaar.

Wie spelen er zoal op?

Johann Strauß, Leonard Bernstein, Svjatoslav Richter en András Schiff waren en zijn net zo goed liefhebbers als jazzlegende Nina Simone en singer-songwriter Tori Amos. Ook Wibi Soerjadi speelde jarenlang op een speciaal voor hem gebouwde Bösendorfer-vleugel. Onder elk paar handen klinkt een instrument anders. Soms ziet het er ook anders uit, want Bösendorfer staat bekend om zijn maatwerk. Niet wat de constructie betreft, maar wel als het gaat om design, zoals de kleur van het (standaard bronzen) frame of de kast. Ook zijn er speciale modellen gebouwd in opdracht van bijvoorbeeld Porsche, Audi, Chrysler en Swarowski. Uniek voor Bösendorfer is het model Imperial met 97 (in plaats van de gebruikelijke 88) toetsen en een bereik van acht volle octaven. Ludwig Bösendorfer liet deze vleugel bouwen op suggestie van componist Ferruccio Busoni (1866-1924), die voor zijn bewerking van Bachs orgelwerk Passacaglia in C minor lage bastonen op de piano miste. De Imperial wordt nog steeds gemaakt en leent zich met zijn orkestrale klank en uitgebreide bereik bij uitstek voor werk van componisten als Bach, Bartók, Debussy en Ravel.

© Vöslauer, www.peterrigaud.com
Oostenrijk Magazine, Emely Nobis
El Woods
© Giesswein