Jacht in Oostenrijk

Van adellijk privilege tot natuurbeheer

Tekst: Emely Nobis

Van adellijk tijdverdrijf  tot pijler onder duurzaam landgebruik… Hoe het huis Habsburg de geschiedenis van de jacht in Oostenrijk heeft beïnvloed.

Jagen was de grote passie van de Oostenrijkse keizer Franz Joseph (1830-1916). Hij schoot in zijn lange leven 55.000 stuks wild, vooral herten, gemzen, auerhoenderen en wilde zwijnen. Zijn eerste trofee – op zijn twaalfde – was een hert uit de dierentuin van paleis Schönbrunn. Zijn beoogd troonopvolger Franz Ferdinand (1863-1914) maakte het nog bonter. Na zijn eerste wildschot op z’n negende volgden nog eens 274.888 dieren, zowel in het Habsburgse rijk als elders ter wereld – waar hij ook op leeuwen, tijgers, olifanten, kangoeroes, wrattenzwijnen en andere vaak zeldzame dieren jaagde.

Dat weten we omdat beide heren hun ‘prestaties’ nauwgezet bijhielden op schietlijsten. Franz Ferdinand decoreerde zijn kasteel Konopiště in Tsjechië met geweien, dierenvellen en opgezette beesten. Hij gold als een van de beste schutters van zijn tijd, maar daarbij moet worden aangemerkt dat de dieren tijdens drijfjachten meestal direct richting schietstand van deze eregast werden gejaagd. In retrospectief spreken historici dan ook liever van ‘pathologische schietlust’ en ‘feodale massaslachtingen’.

Hoge en lage jacht

Het jagen was geen specifieke passie van het keizerhuis maar van de hele aristocratie. Keizer Karel de Grote van het Heilige Roomse Rijk (742-814), zelf een fervent jager, verklaarde in zijn landgoedregeling (Capitulare de villis) uit 812 alle bossen zonder eigenaar tot kroon­domein: alleen de adel mocht er voortaan nog jagen. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen de ‘hoge’ en ‘lage’ jacht. De jacht op groot wild (steenbok, gems, roodwild, everzwijn e.d.) was voorbehouden aan de hoge adel; lagere standen mochten onder bepaalde voorwaarden op konijnen, hazen en veerwild als fazanten en duiven jagen.

De landgoedregeling was het begin van de jacht als adellijk privilege én het begin van het jachtstrafrecht. Burgers en boeren – samen 97 procent van de bevolking – werd verboden te jagen op straffe van geldboetes, draconische lijfstraffen als het uitsteken van een oog of het afhakken van ledematen en zelfs de doodstraf. Niet alleen stropers zelf werden bestraft, maar ook degenen die hen hielpen zich te verbergen of die vlees van hen kochten.

Het gewone volk mocht wel opdraven tijdens het in de barok populaire Eingestelltes Jagen. Boerinnen naaiden voor deze slacht-jachtpartij grote linnen doeken of netten waarmee hele stukken bos werden afgebakend. De boeren dreven soms al dagen of weken voor de feitelijke jacht het wild hierin samen. De ‘jachtpartij’ zelf bestond eruit dat de dieren werden losgelaten in de enige mogelijke richting: linea recta schietstand waar de adel hen opwachtte. In het Jagdmuseum in Schloss Stainz in Stiermarken – dat de geschiedenis van de jacht uitgebreid documenteert – zijn schilderijen van zulke jachtpartijen te zien. Met fysieke inspanning of respect voor de natuur had het niets te maken. Het ging om pronk, praal en het doelloos schieten van zo veel mogelijk dieren – soms honderden op een dag. Iedere schutter had dan ook een of twee Büchsenspanner om zijn of haar geweren (want ook bij de adellijke dames was de ‘sport’ geliefd) tussentijds te herladen. Vlees dat niet voor eigen gebruik nodig was, werd nog liever aan de honden opgevoerd dan aan de arme boerenbevolking gegeven.

Boerenopstanden

Vanaf de 16e eeuw werd het Habsburgse rijk geplaagd door meerdere boerenopstanden. Die richtten zich in de eerste plaats tegen het lijfeigenschap, maar zeker ook tegen de jachtwetten. Boeren mochten wilde dieren niet afschieten, maar hadden wel veel last van wildschade – en dat bij een toch al schamele landbouwopbrengst. Pas in het midden van de 19e eeuw kwam er enige verbetering in hun positie.

Na de hongerwinter van 1847/1848 brak op 13 maart 1848 in Oostenrijk, net als in veel andere Europese landen, de revolutie uit. Hoewel die na veel bloedvergieten werd neergeslagen, zag keizer Ferdinand I zich in december van dat jaar gedwongen af te treden ten gunste van zijn toen 18-jarige neef Joseph, die als keizer de naam Franz Joseph I aannam. In de nieuwe grondwet van maart 1849 werd het jachtrecht aan grond­eigendom gekoppeld. Daarbij paste Franz Joseph wel een list toe: alleen wie een samenhangend stuk grond van ten minste 200 Joch (115 ha) bezat, mocht de jacht daadwerkelijk in Eigenjagd (privé) uitoefenen. Zo werd de uitsluiting van de boeren van de jacht via een achterdeur alsnog grotendeels hersteld, want de overgrote meerderheid had minder grond in eigendom. Al die kleinere grondstukken moesten volgens de nieuwe wet per gemeente worden samengevoegd tot een jachtgebied dat aan de minimumomvang voldeed: de zogeheten Gemeinde- und Genossenschaftsjagdgebiete. Deze grond werd verpacht aan een of enkele jagers (burgers of boeren), met als belangrijkste doel een beter beheer van de wildpopulatie. Het machtsvacuüm tijdens het revolutiejaar 1848 had namelijk tot een enorme toename van de stroperij geleid, met een decimering van het wildbestand tot gevolg.

Beroepsjagers

Onder invloed van de romantiek veranderde in die tijd ook de visie op de ideale jager: niet langer een trofeeënverzamelaar maar iemand die middels de jacht de natuur op een intensieve manier wilde beleven en bij wie het respect voor dieren voorop stond. Die omwenteling was in Oostenrijk overigens mede te danken aan weer een andere telg uit het huis Habsburg: aartshertog Johann (1782-1859), ook wel de groene rebel genoemd. Hij stelde als eerste een set regels en plichten op voor de jacht in zijn 30.000 hectare grote jachtgebied in Stiermarken, zoals criteria voor wild waar al dan niet op gejaagd mocht worden (bijvoorbeeld geen reeënjongen en hun moeders). Ook wees hij rustgebieden aan waarin gedurende een aantal jaren niet gejaagd mocht worden zodat het wildbestand de kans kreeg zich te herstellen. Met de plezierjacht had hij niet veel op. Hij nam beroepsjagers in dienst die hij deels rekruteerde onder stropers, omdat die het gebied goed kenden en zo bovendien geen bedreiging meer vormden. Zijn jagers mochten alleen enkelloops hagelgeweren gebruiken en hoewel stroperij strafbaar bleef, mocht een betrapte stroper in geen geval worden gedood.

Coöperatieve jacht

Ook nu nog is jagen in Oostenrijk onderdeel van het dagelijks leven. Maar liefst 98 procent (82.164 km²) van de totale oppervlakte van het land geldt als jachtgebied. De regels die Franz Joseph in het Österreichische Reichjagdgesetz van 1849 opstelde voor de minimale omvang per jachtgebied gelden in de meeste deelstaten tot op de dag van vandaag. Alleen in Burgenland en Tirol is die inmiddels vastgesteld op 300 hectare.

Al met al zijn er nu 12.000 afzonderlijke jachtgebieden in Oostenrijk, waarvan 60 procent eigendom is van gemeentes en coöperaties. Elk gebied (ook die in privébezit) moet een beëdigd jachtopziener aanstellen die toeziet op naleving van de jachtwetgeving en tegelijk verantwoordelijk is voor natuurbeheer, met taken als het bijvoeren van dieren in tijden van schaarste of bij beginnende vegetatie (zodat het wild de planten niet aanvreet), de jacht op schadelijke roofdieren, het creëren van rust- en retraitegebieden en de zorg voor diversiteit in en tussen de dieren- en plantenwereld.

Verdeeldheid over de wenselijkheid van de jacht is er in het klassieke jachtland Oostenrijk veel minder dan hier. Samen met de land- en bosbouw geldt de jacht tegenwoordig zelfs als een van de pijlers van duurzaam landgebruik. Voor zover het niet om plezierjacht gaat, houden jagers het wild op het niveau dat past bij de levensruimte die er resteert nu mensen hun natuurlijke biotoop goeddeels hebben volgebouwd. Zonder jagers zou het wildbestand ongebreideld groeien, ontstaat er voedselschaarste en vernietigen de dieren uiteindelijk het bos – en dus hun eigen leefgebied – door bomen aan te vreten.

Van de 130.000 jagers die Oostenrijk telt is slechts een minderheid van ongeveer 530 beroepsjagers. Zij volgen een jarenlange opleiding en moeten zich ook na het examen blijven bijscholen. Vaak zijn ze in dienst van organisaties als de Bundesforste (bosbeheer) of natuurparken. Alle andere jagers moeten een (praktijk)opleiding van vier maanden volgen en een examen afleggen. Daarnaast moeten ze een geldig jachtbewijs (Jagdkarte) hebben én lid zijn van een Oostenrijkse jachtvereniging. Wie in het najaar in Oostenrijk vakantie viert, ziet in menig restaurant Wildbret op de kaart staan. Vaak genoeg pacht de eigenaar van het restaurant een stuk van de Gemeindejagd en is het wild dat hij/zij serveert zelf geschoten.

Witte gems

De laatste jacht van keizer Franz Joseph was op 14 juli 1914, twee jaar voor zijn dood. Hij was oud, zijn handen beefden en dus verwondde hij een hert in plaats van meteen een dodelijk schot te plaatsen. Dat was voor hem aanleiding om met jagen te stoppen.

Franz Ferdinand schoot op 7 augustus 1913 in het Göllmassief nabij Salzburg ondanks waarschuwingen en protesten een witte gemsbok, iets wat in jagerskringen als heiligschennis gold. Wie zo’n schepsel voor z’n plezier doodt, sterft binnen het jaar een onnatuurlijke dood, aldus het bijgeloof. Franz Ferdinand zelf hechtte weinig waarde aan dit onheilsteken. ‘Na, wenn man ster-ben muss, stirbt man sowieso’, zou hij tegen zijn bezorgde echtgenote Sophie Chotek hebben gezegd. Beiden werden op 28 juni 1914 in Sarajevo vermoord. Een maand later, op 28 juli, tekende Franz Joseph in Bad Ischl de oorlogsverklaring aan Servië: het begin van de Eerste Wereldoorlog die aan zeker 15 miljoen mensen het leven kostte.

Meer over de jacht in Oostenrijk: jagdfakten.at; jagd-oesterreich.at
Verkoopadressen, tips en recepten Wildbret: wild-oesterreich.at
De opgezette witte gems die Franz Ferdinand schoot, is te zien in het museum Haus der Natur in Salzburg: hausdernatur.at