Als je als buitenlander in Oostenrijk wilt integreren, is het erg handig als je een instrument speelt of kunt zingen.

Op het platteland heeft elk dorp wel z’n eigen Musikkapelle waar een extra blazer of accordeonspeler altijd welkom is. Toen televisie en radio nog niet bestonden, leerden veel boeren een instrument spelen om tijdens de donkere wintermaanden – als er toch niet op het veld gewerkt kon worden – samen te  musiceren. Onlangs maakte ik weer mee dat de gastheer van ons hotel (met boerderij) na het avondeten volksliederen begon te zingen, door zichzelf en zijn zoon begeleid op afwisselend trekzak, gitaar, hoorn en trompet. Niet speciaal voor de gasten – die uiteraard wel graag luisterden – maar omdat ze dat bijna elke avond deden. Het hoort bij hun manier van leven.

Mede door mijn koorlidmaatschap voelde ik mij in Wenen al snel thuis.

Toen ik jaren geleden met mijn toenmalige vrouw naar Wenen emigreerde, introduceerde ze me bij ‘haar’ koor. Daar konden ze wel een extra bas gebruiken en ik zou op die manier wat sneller mensen leren kennen.  Het koor was semiprofessioneel en voor mij met nauwelijks twee jaar zangervaring eigenlijk te hoog gegrepen, maar door hard werken viel ik net niet door de mand en leerde ik snel. Dankzij de wekelijkse repetities en geregelde optredens hoorde ik er al gauw als vanzelfsprekend bij.

Als je in Wenen bij een koor zit, is de kans groot dat je op mooie plekken en met bekende musici mag zingen. Zo traden we vaak op in de grote zaal van de Wiener Musikverein – waar ook de Wiener Philharmoniker geregeld repeteren en optreden. Onze dirigent had uitstekende contacten in de muziekwereld en wist te regelen dat we gevraagd werden mee te werken aan uitvoeringen van symfonieorkesten. Ik herinner me nog goed het Concerto for Ursula van (en met) componist Friedrich Gulda in het Konzerthaus. De bijdrage van ons koor bestond uit de briljante tekst ‘tatatahiti, tatatahiti, tatititatada’, maar het was een geweldige ervaring. Enigszins gênant was de keer dat een Russische solist zijn partij in Sjostakovitsj’ Dertiende Symfonie tijdens de repetities maar niet onder de knie kreeg. De dirigent heeft die passages toen bij het concert overgeslagen. Meer indruk maakte een reeks concerten met de Duitse bariton Hermann Prey, die het in zijn hoofd had gehaald om het complete werk van Franz Schubert uit te voeren en daarvoor een koor nodig had. Veel had Schubert geschreven toen hij nog op school zat, zoals twee onvoltooide (en toch best leuke) opera’s en tal van koorliederen. Mijn vijf jaar in het koor waren een fantastische tijd en hebben me absoluut geholpen om me thuis te voelen in Wenen. Het was bovendien goed voor mijn taalontwikkeling. Ook al sprak ik al aardig Duits toen ik er kwam wonen, in het koor leerde ik echt de dagelijkse omgangstaal  te gebruiken zodat ik steeds minder als buitenlander te herkennen was. Taal is misschien wel het belangrijkste om uit je rol als nieuwkomer en buitenstaander te komen.