De moedertaal van veel Oostenrijkers is het dialect. Ze beheersen weliswaar (meestal) de Oostenrijkse variant van Hoogduits, maar als de gelegenheid er niet om vraagt vallen ze al gauw terug op Mundart – zoals de regionale of lokale taalvarianten worden genoemd. Mundart weet zich niet alleen in de spreektaal staande te houden, maar is ook behoorlijk present in literatuur en muziek, zelfs bij de jongere generaties. Waar dialectsprekers bij ons nogal eens te maken krijgen met vooroordelen over bijvoorbeeld een gebrek aan intelligentie en competentie, kunnen ze in Oostenrijk juist op brede acceptatie rekenen. Maar liefst 88 procent van de bevolking onderschrijft de stelling dat Mundart waardevol is voor de cultuur en gekoesterd moet worden. Een kleine meerderheid (52%) vindt het bovendien niet nodig dat mensen meer moeite doen om Hoogduits te spreken, zo blijkt uit een enquête van het Linzer marktonderzoeksbureau IMAS.

Oostenrijkers delen hun dialecten grofweg in naar deelstaten – Tirolerisch, Steirisch, Kärntnerisch, enzovoorts – met daarbinnen weer tal van spraakenclaves. Desondanks zijn vrijwel alle Oostenrijkse dialecten varianten van het Beiers (Boarisch of Bairisch), een groep Opperduitse dialecten die ook in het grootste deel van Beieren en Zuid-Tirol domineren. Een uitzondering vormen Vorarlberg en West-Tirol, waar net als in het nabije Liechtenstein en Zwitserland een Allemannisch dialect wordt gesproken. Waar iemand is geboren en getogen, herken je onder meer aan de soms prachtige woordpareltjes. Zo ga je in Vorarlberg naar de Löüble (WC), ben je in Neder-Oostenrijk ogschloapft als je niet helemaal fit bent, vinden Salzburger iets al gauw Gwandt (super) en kun je je in Karinthië voor het napfatzn (slapen) lumpan (bezatten).
Behalve in woordkeuze verraadt ook de tongval iemands herkomst. Aan de nuances van het langgerekte Wienerisch met z’n doffe vocalen (Boch=Bach/beek, Glos=Glas/glas) ben ik na jaren wonen in die stad gewend. Daarbuiten moet ik altijd even schakelen, vooral omdat veel niet-stedelingen zelfs hun beste Hoogduits ‘verplatten’. Typisch voor het Tirools is onder meer het uitspreken van de s als sch (bischt in plaats van bist/ben je of geschtern in plaats van gestern/gisteren) en de k als kch (Kchlea in plaats van Klee/klaver). In Vorarlberg is het wennen aan het veelvuldig gebruik van verkleinwoorden, zoals in Hüsle (klein huis). In Karinthische dialecten worden klinkers vaak ingeslikt (‘losn’=lassen/laten, ‘ofn’=offen/ open). Ze klinken bovendien relatief zacht en zangerig. Wellicht daarom vindt een kwart van alle Oostenrijkers
de Karinthische Mundart het meest sympathiek en aansprekend.

Dat blijkt althans uit het eerdergenoemde IMAS-onderzoek. Ook Tirools en Opper-Oostenrijks vallen in de smaak. Stiermarken, Wenen en Salzburg vormen met middenveld en het minst geliefd zijn de dialecten
uit Neder-Oostenrijk, Burgenland en als laatste Vorarlberg. Dat krijg je als je Allemannisch spreekt in een door Bairisch gedomineerd land.

PS Naast de “Duitse” dialecten zijn er taal-enclaves  in Burgenland waar Hongaars of Kroatisch en in Stiermarken en Karinthië waar Sloweens (Windisch) wordt gesproken.